

Wond-, blaren- en warmtepleisters: welke helpt wanneer en waarom
Textiel of kunststof, luchtdoorlatend of waterdicht, steriel of niet – pleisters zijn er in vele varianten. Maar waarom eigenlijk? En wanneer is welke pleister zinvol? Van lijmchemie tot wondgenezingsonderzoek.
Laten we bij het begin beginnen, zo'n 100 jaar geleden, toen de eerste pleister voor thuisgebruik de Europese markt veroverde. In 1922 bracht Beiersdorf met Hansaplast het model uit dat we allemaal kennen, met een vast aangebracht wondkussentje. De klevende basis daarvoor, een zinkoxide-rubberpleister genaamd Leukoplast, was bij Beiersdorf al sinds 1901 verkrijgbaar. In de VS verkocht Johnson & Johnson vanaf 1921 de eerste Band-Aid-strips, aanvankelijk als per meter verkrijgbaar materiaal om zelf op maat te knippen.
En zo begon de jungle van pleisters. Ik help je door het struikgewas.
Klassieke pleisters: alleskunners voor de huisapotheek, handtas en verbanddoos
Heel officieel heten pleisters trouwens wondpleisters. Een combinatie van klevend dragermateriaal en een wondkussentje, dat bij sommige producten extra is bedekt met een geperforeerde folie zodat er niets aan de wond kleeft. Deze gewone pleisters zijn geschikt voor kleine, oppervlakkige snij- en schaafwonden die nauwelijks bloeden. Of het nu gaat om een voorgesneden strip of een rol om zelf op maat te knippen, met kleur of patroon – dat is een kwestie van smaak.
Welk materiaal is waarvoor geschikt?
Textielpleisters van weefsel of vlies zijn ademend, flexibel en prettig op de huid. Ze zijn dus geschikt voor gewrichten of als je ze wat langer draagt. Kunststof- of foliepleisters van polyethyleen zijn daarentegen water- en vuilafstotend, vaak erg dun en ook transparant verkrijgbaar. Ze zijn altijd geschikt als de wond in contact komt met water of als ze tijdens het sporten bestand moeten zijn tegen sterke wrijving of zweet. Kortom: textiel voor comfort, folie voor betere bescherming.

Bron: DHurley/Shutterstock
Waarom is het type lijm zo belangrijk?
De lijm bepaalt vooral hoe goed de pleister blijft zitten en hoe pijnlijk het verwijderen is. De exacte samenstelling verschilt per fabrikant en is meestal een goed bewaard bedrijfsgeheim. Grofweg kunnen we twee lijmfamilies onderscheiden:
Zinkoxide-rubberlijm – een mengsel van natuurrubber, harsen en zinkoxide – kleeft extreem sterk. Zelfs bij nattigheid, zweet of veel beweging blijft hij muurvast zitten. Daarom is dit bijvoorbeeld de gangbare keuze bij fixatiepleisters of sporttapes. Polyacrylaatlijm daarentegen kleeft minder goed, maar is van nature ademender en laat zich relatief pijnloos verwijderen. Deze lijm is dus meer geschikt voor de gevoelige huid, zoals bij pasgeborenen of ouderen, en wordt vaak gebruikt in wondpleisters.
Beide lijmsoorten kunnen allergische reacties veroorzaken. Natuurrubber bevat latexproteïnen die vaker contactallergieën veroorzaken. Acrylaten worden meestal beter verdragen. Maar ook deze kunnen de huid irriteren, vooral als ze lang op de huid blijven zitten. Als je ooit een rode, jeukende huidrand rond een pleister hebt gehad, kwam dat waarschijnlijk door de lijm. Welke van de twee het was, kan echter alleen een allergietest uitwijzen.
Wanneer moet de pleister steriel zijn?
Voor het dagelijks leven bij kleine, schone wonden volstaat meestal een niet-steriele pleister. Bij operatiewonden, vervuilde of diepe verwondingen, bijtwonden of bij mensen met een verzwakt immuunsysteem of diabetes zijn steriele pleisters nodig. Een speciale vorm hiervan zijn hechtstrips (Steri-Strips). Deze worden direct op de wond geplakt om kleine, gladde snijwonden zonder hechtingen bij elkaar te houden. Wat veel mensen trouwens vergeten, maar wat cruciaal is: een steriele pleister heeft geen zin als je hem met ongewassen vingers aanraakt.
Laten luchten of liever vochtig houden?
Over deze vraag heeft de medische wereld haar mening flink bijgesteld. Tot in de jaren 60 werd gezegd dat wonden droog aan de lucht moesten genezen. Tot op de dag van vandaag zit dit principe in veel hoofden verankerd. De Britse onderzoeker George Winter liet echter in 1962 zien dat weefsel onder een vochtdichte folie aanzienlijk sneller opnieuw wordt gevormd dan onder een droge korst. Toch moet de afdekking ademend zijn. Dat werkt omdat moderne folies semipermeabel zijn. Ze laten zuurstof door, maar houden wondvocht tegen. Hetzelfde principe gebruiken waterbestendige pleisters.
Welke pleister bij blaren, puistjes en likdoorns?
Blarenpleisters bestaan uit zogenaamde hydrocolloïd-deeltjes, die met het wondvocht een gel vormen die de wond vochtig houdt, tegelijkertijd dempt en daardoor de drukpijn verlicht. Hetzelfde materiaal zit in puistjespleisters. Deze mini-hydrocolloïd-pleisters zuigen pus en talg op en creëren voor een betere wondgenezing een vochtig microklimaat. Eerste kleine studies wijzen erop dat ze kunnen helpen bij reeds open, ontstoken puistjes. Een algemene, goed onderbouwde effectiviteit voor alle soorten puistjes is echter wetenschappelijk niet bewezen. Bij likdoorns zijn er twee varianten. Pure hydrocolloïd-pleisters maken de eeltlaag door vocht zacht, net als bij de blaren- en puistjespleister. Pleisters met de werkzame stof salicylzuur lossen de verhoornde huid bovendien chemisch op.
Pleisters die eigenlijk geen pleisters zijn
En dan zijn er nog enkele pleisters die eigenlijk helemaal geen pleisters zijn. Met het klassieke principe van een dragende laag en een wondkussentje hebben ze nauwelijks nog iets te maken. Spray- en vloeibare pleisters bijvoorbeeld hebben helemaal geen vast verband nodig. Hierbij wordt een polymeeroplossing op de wond aangebracht, die bij het drogen een dunne, transparante en waterbestendige beschermlaag vormt. Geschikt voor plekken waar een klassieke pleister of verband slecht blijft zitten, zoals op vingertoppen of gewrichten. Voor diepe, nattende of bloedende wonden zijn ze echter niet geschikt.
Ook al zien ze er zo uit, kinesiologie- en sporttapes zijn eveneens geen pleisters, maar steunverbanden voor het stabiliseren van spieren en gewrichten. Bovendien ontbreekt bij hen het wondkussentje.
Dan zijn er nog warmtepleisters. Ze genereren via een chemisch proces warmte, die kan helpen tegen spierspanningen. Capsaïcine-pleisters zorgen daarentegen voor een warmtegevoel door de huid met capsaïcine te irriteren.
En tot slot blijven er nog pleisters met werkzame stoffen over – zoals nicotine-, pijnstillende of hormoonpleisters. Ze gebruiken de huid als het ware als toegangspoort om werkzame stoffen (nicotine, pijnstillers of bepaalde hormonen) gecontroleerd in het bloed af te geven.
Om terug te komen op de beginvraag: zijn er echt zoveel verschillende pleisters nodig en wanneer volstaat een gewone wondpleister? Voor de meeste alledaagse wonden volstaat de gewone pleister volledig. De andere varianten hebben echter ook hun nut. Bijvoorbeeld wanneer water, sport, een gevoelige huid of heel andere zaken zoals puistjes of spanningspijn een rol spelen.
Wetenschapsredacteur en bioloog. Ik hou van dieren en ben gefascineerd door planten, hun mogelijkheden en alles wat je ermee kunt doen. Daarom is mijn favoriete plek altijd buiten - ergens in de natuur, het liefst in mijn wilde tuin.
Praktische oplossingen voor alledaagse vragen over technologie, huishoudelijke trucjes en nog veel meer.
Alles tonen






















